Het centrum van ARNIJM

In het centrum van arnijm liggen Den Heuvel en de Lingewal. Geen terrassen, waaggebouwen of kerktorens. Het centrum van arnijm is een herdenkingskapelletje op het hoogste punt van Den Heuvel. Den Heuvel is een bult, halfweg Arnhem en Nijmegen, waarschijnlijk een oude terp. Rondom die bult heeft in 1945 een enorme tankslag plaatsgevonden tussen Engelsen en Duitsers. Veel doden. Vandaar het kapelletje. Na de oorlog is er een boerderij tegenover gekomen. Vroeger zat de hond je daar soms achterop.

In het kapelletje staat een Mariabeeld: Maria van de Bloeiende Betuwe. Dat lijkt veel op bloedende Betuwe. Vanaf 1946 tot in de jaren zestig van de vorige eeuw liepen alle geestelijken uit Bemmel, de muziekverenigingen en vreselijk veel katholieken in een processie van Bemmel naar Maria van de Bloeiende Betuwe. Daar hielden ze een mis. In de modder. Je zou denken voor die doden, maar het was om regen voor een goede oogst. Ik ken niemand die voor regen bidt. Ze zongen Marialiederen. Die waren er een heleboel. Vooraan in de stoet waren ze altijd verder met het lied dan achteraan. De kinderen kregen van hun ouders op de terugweg een ijsje van de melkboer aan de rand van het dorp, de enige man die ijs kon maken in Bemmel. Ze noemden hem ‘de letste stuver’ omdat hij zijn laatste stuiver in het bedrijf gestopt zou hebben. Bij het kapelletje staat nu een gesponsorde picknicktafel. In het kader van het centrum van arnijm zou men dit het eerste terras naast de kerk kunnen noemen.

Een aantal jaren geleden fietste ik daar iedere week ’s avonds. Van arnijm naar huis, door de polder. Het werd winter. Ik fietste tussen Maria van de Bloeiende Betuwe en de boerderij door, scherp luisterend naar hondengeluid. Tot aan de kruising met de Lingewal. Het was heel donker. Er was geen straatverlichting. Ik fietste zonder licht omdat je zo vreselijk ver kon kijken en ik niet wilde dat iemand van zo vreselijk ver aan dat ene lampje kon zien dat er een eenzame fietser in aantocht was. Het centrum van arnijm was mijn favoriete route. Van Den Heuvel tot aan het eind van de Lingewal. Aan die Lingewal lag nog éen boerderij, bij de knik in de weg. Voor de rest was het donker. Aan éen zijde stonden bomen, allemaal een beetje scheef alsof een rechtshandige ze ingetekend had. De Lingewal had iets magisch.

Het viel niet mee om uit de Linge te blijven. De enkele autochtoon die er reed scheurde met groot licht mij tegemoet zodat ik, verblind en vertrouwend op mijn gevoel van rechtdoor, al fietsend mijn lamp aandeed. Het duurde vaak lang voor het groot licht werd gedoofd. Dan moest ik in de berm gaan staan om erger te voorkomen.

Een keer doemde in het licht van de boerderij een vrachtwagen met aanhanger op, volgestouwd met varkens. Die duwden hun neuzen tussen de planken door naar buiten. Door het licht op het erf leek het een podium met varkenskoppen in een wagen. De rest was donker. Ze verdwenen in de nacht als figuranten wier rol uitgespeeld was.

Op een winteravond ben ik bijna de Linge in gefietst. Er lag sneeuw waardoor weg en berm in het donker niet goed te onderscheiden waren. Voor en achter mij de gloed van Arnhem en Nijmegen. De Linge is niet meer dan een gekanaliseerde sloot maar helder genoeg om het licht uit de lucht te weerkaatsen. Automatisch koerste ik op het lichtste deel aan toen ik na Den Heuvel linksaf sloeg. Het lichtste deel was het licht dat op het wateroppervlak weerkaatste. Toen de grond zacht en schuin werd kon ik nog net stoppen. Ik viel van mijn fiets en begreep dat het zwarte gat naast de lichte strook mijn route was. Ik wilde per se geen licht aandoen omdat ik nog nooit in een zwart gat gefietst had. Ik had alleen het zicht op mijn stuur en het knerpen van de sneeuw en ik was gelukkig. Als ik van zo’n nacht thuiskwam was ik van ver gekomen. Veel verder dan van overdag. Dit is nu het centrum van arnijm, in de winter ’s nachts zonder fietslamp, met Maria van de Bloeiende Betuwe, magisch licht en zwarte gaten.

Als arnijm klaar is zullen er voortuinen zijn, buitenlampen en parkeerplaatsen. Langs de snelweg staat al een bord met de mededeling dat er een park gaat komen. Het bord bedoelt dat ze daar dan niet gaan bouwen. Het staat niet ver van de Lingewal. Het wordt een echt centrum, met een kapel, een terras en een sloot in een park. ‘De letste stuver’ is dood.

Manja Moos